2e Nieuwsbrief 2025
|
|
Barbara Tanner (1948-2025): een Zwitserse pianist die molenaar in Haarlem werd
Een leven zonder muziek was ondenkbaar voor pianist Barbara Tanner, maar ook voor molens ontwikkelde ze een passie. Haar didactische achtergrond als pianoleraar kwam haar van pas toen ze molenaar werd en leerlingen ging opleiden. Ze zocht altijd naar verbinding met de ander.
Trouw: Noor Hellmann 7 december 2025, 19:58
Historische gebouwen, stoomlocomotieven, traditionele zeilschepen; Barbara Tanner was geïnteresseerd in tastbare geschiedenis, de nostalgie ervan vond ze mooi. In het rijtje hoorden zeker ook molens. Het was frappant dat ze als Zwitserse juist voor dit typisch Nederlandse cultuurgoed zo’n liefde ontwikkelde. Ze verdiepte zich in verschillende soorten en typen en reisde per trein en fiets door heel Nederland om molens te bezoeken.
In de tweede helft van haar leven ging ze zich enthousiast inzetten voor het behoud van dit erfgoed. In haar woonplaats Haarlem was ze meer dan twintig jaar verbonden aan De Adriaan, de iconische molen aan het Spaarne; eerst als gids en later als molenaar, instructeur en examinator. Ze coördineerde de molenaarsexamens in Noord-Holland en leidde molenaars op, waardoor de wieken van De Adriaan nu bijna dagelijks kunnen draaien.
Barbara toonde zich betrokken bij alle vrijwilligers op de molen. Van sociale verplichtingen als verjaardagen en borrels hield ze niet zo – haar eigen verjaardag vierde ze nooit – maar ze genoot van het contact met mensen die dezelfde passie deelden of met hetzelfde bezig waren als zij. Ze was innemend en kon bezield vertellen over het molenaarswerk.
Vreemde eend in de bijt
Er waren slechts een paar vrouwelijke molenaars in de regio Haarlem toen Barbara begon. Ze gold als een vreemde eend in de bijt: een molenaar die, omdat ze ook pianist was, heel voorzichtig deed met haar handen. Zo fietste ze met handschoenen aan, behalve in de zomer. Ook bij werkzaamheden op de molen droeg ze altijd handschoenen.
Muzikale ontplooiing werd in haar jeugd gestimuleerd. Haar moeder Geeralde Tanner-Nijhoff, een amateurpianist, had haar al vroeg ingeprent dat ze zuinig moest zijn op haar pianohanden. Om die reden mocht ze niet naar de padvinderij.
Barbara, geboren in 1948 in het Zwitserse Aarau, had een Nederlandse moeder die in Zwitserland was blijven hangen nadat ze kort na de oorlog in het skioord Arosa had deelgenomen aan internationale skiwedstrijden. Geeralde ontmoette er de Zwitserse longspecialist Ernst Tanner, met wie ze trouwde en twee dochters kreeg. Barbara was de oudste. Thuis werd Zwitserduits gesproken, tijdens zomervakanties bij haar oma in Nederland leerde Barbara Nederlands.
Vader Ernst werkte aanvankelijk als chef-arts in een tuberculosesanatorium in Arosa, maar toen Barbara tien was, ging het gezin in de buurt van Zürich wonen. Er werd voor haar een goede pianodocent gevonden, die serieus werk maakte van haar pianolessen. Ze had talent en wilde na haar middelbare school naar het conservatorium, maar op aandringen van haar vader ging ze naar de kweekschool. Hij stond erop dat ze eerst een degelijk beroep zou leren.
Twee pleegkinderen
Ze rondde de kweekschool plichtsgetrouw af en koos toen alsnog haar eigen weg: ze meldde zich aan bij het conservatorium om piano en orgel te studeren. Daarnaast speelde ze viool in amateurorkesten. Barbara had inmiddels definitief besloten geen schooljuf te worden, voor de klas staan lag haar niet. Lesgeven aan kinderen had sowieso niet haar voorkeur. Toen ze eenmaal pianoleraar was, werkte ze eerst op de muziekschool, maar met meer plezier gaf ze later in haar eigen huis les aan volwassenen.
Nog in haar begintijd op het conservatorium had ze tijdens een muziekcollege op de universiteit van Zürich Chris Brunner leren kennen. De student civiele techniek, die uit een muzikale familie kwam, volgde het college uit interesse. Ondanks hun verschillende studieachtergrond voelden ze een sterke verwantschap. Ze bezochten concerten en werden al snel verliefd. Ze gingen samen verder als levenspartners; van trouwen moesten ze niets hebben. Ze hadden geen kinderwens, wel namen ze de zorg voor twee pleegkinderen op zich.
De eerste drie jaar woonden ze in Zwitserland. Chris had al een baan toen Barbara in 1974 afstudeerde aan het conservatorium. Na haar afstuderen zagen ze hun kans om met spaargeld acht maanden door Europa te reizen en hun horizon te verbreden. Allebei hadden ze het gevoel dat ze in een erg beschermd nest waren opgegroeid. Ze wilden een poosje weg uit Zwitserland, waar ze naar hun idee in een al te keurige wereld leefden.
Minikeuken in een besteleend
Ze vertrokken in een besteleend, waarin Chris een minikeuken had gebouwd. Om het musiceren niet te hoeven opgeven nam Barbara haar klavichord mee, zorgzaam ingepakt door haar moeder. De tocht door Europa was leerzaam. Ze bezochten niet zozeer toeristische attracties, maar verkenden landen en steden om te onderzoeken of ze er na hun reis tijdelijk zouden kunnen gaan wonen en werken. Uiteindelijk viel de keus op Nederland, mede omdat Barbara aan de slag wilde als muziektherapeut en hier meer mogelijkheden zag dan in Zwitserland, waar muziektherapie nog nauwelijks bestond.
Hun Nederlandse avontuur begon in 1975. Ze waren aanvankelijk van plan een paar jaar te blijven, maar ze zouden nooit meer teruggaan. De sfeer in Nederland beviel hen, ze vonden Nederlanders minder gereserveerd dan de Zwitsers.
Barbara had al binnen een week na aankomst in Nederland een baan gevonden. Chris, die het Nederlands niet beheerste, had meer tijd nodig om zijn draai te vinden. Drie jaar werkte hij als ingenieur bij een groot aannemingsbedrijf, daarna werkte hij 35 jaar bij een adviesbureau voor ruimtelijke ordening, als adviseur en projectleider voor gemeenten en ontwikkelaars. De eerste tijd huurden ze in Haarlem twee zolderkamers, later vonden ze in de stad betere woonruimte. Ze raakten ingeburgerd, maar de Nederlandse nationaliteit aannemen zoals Chris deed, hoefde van Barbara niet.
Haar dagen waren gevuld met muziek. Naast haar werk als muziektherapeut en pianoleraar gaf ze geregeld kamermuziekconcerten. Chris stimuleerde haar ook solo op te treden. Haar liefde voor muziek deelde ze met anderen, door eigen concerten te organiseren waar ze een persoonlijke tint aan gaf. Ze zocht naar verbinding, of dat nu was met haar publiek of met haar molenaars- en pianoleerlingen.
Parttimebaan als brugwachter
Met Roelof de Jong, een bevriende amateurpianist, oefende ze vaak bij Andriessen Piano’s-Vleugels in Haarlem. Ze hadden de sleutel van de muziekzaak en konden ’s avonds achterin in de restauratiewerkplaats twee vleugels uitkiezen. Zo nu en dan gaven ze een kleinschalig concert. Spelen op grote concertpodia wilde Barbara niet, het competitieve ervan stond haar niet aan, zegt Roelof de Jong. “Aan ellebogenwerk had ze een grondige hekel. Ze was een gevoelsmens, ze legde in haar spel de nadruk op gevoel en expressiviteit, techniek en snelheid waren daar ondergeschikt aan. Ik ben beter gaan spelen door haar opmerkingen, ze was didactisch heel goed.”
Muziek maken liep als een rode draad door haar leven. Ze kon er veel in kwijt, maar toen ze midden veertig was maakte ze een moeilijke periode door. Ze twijfelde over wat ze verder nog wilde en had meer ruimte voor zichzelf nodig. Chris en zij kregen een latrelatie. Deels was ze bij hem en deels verbleef ze in haar nieuwe woning in het Teylers Hofje, dat voor haar een beetje als een gemeenschap voelde.
Onverwacht vond ze iets nieuws. Op de Catharijnebrug, dichtbij het Teylers Hofje, raakte ze in gesprek met de brugwachter. Barbara vroeg belangstellend naar haar werk, dat leek haar wel wat. Impulsief ging ze informeren op het havenkantoor, waarna de zaak snel was beklonken. Die avond vertelde ze tot Chris’ verrassing dat ze een parttimebaan als brugwachter had aangenomen. Ze had veel plezier in het werk dat ze volhield tot haar 75ste.
In 2022 in molen De Adriaan in Haarlem.
Vrij snel na deze eerste nieuwe stap volgde een tweede: ze besloot vrijwilliger te worden op De Adriaan, ook op een steenworp afstand van het Teylers Hofje. De geliefde molen die in 1932 na een verwoestende brand in de as was gelegd, was in 2002 eindelijk herbouwd en werd als museummolen een toeristische trekpleister. Kort na de opening meldde Barbara zich aan toen er mensen nodig waren die bezoekers wilden rondleiden.
‘Sommige molenaars kunnen bot zijn. Barbara was anders’
Barbara bloeide op, ze was er in haar element. Ze hield van de sfeer in de molen en de geur van het hout. Molens fascineerden haar niet alleen vanuit historisch oogpunt, ze wilde ook het ambacht van molenaar onder de knie krijgen. Chris hoorde ervan op: ze was atechnisch en had geen ruimtelijk inzicht. Toch begon ze aan de opleiding. Ze deed er lang over, maar ze was gedreven en zette door tot ze een gediplomeerd molenaar was.
Collega-molenaar Kees Mens in Hoogwoud, bij wie ze graag koren ging malen omdat het in De Adriaan niet meer kon, zat geregeld een uur met haar aan de telefoon. Ze bespraken hoe ze dingen aan moest pakken en hij hielp haar als ze de techniek niet doorgrondde. “Voordat ze haar leerlingen een technisch verhaal kon uitleggen, wilde ze het goed begrijpen”, vertelt Mens. “In het begin keek de molenaarswereld met argusogen naar haar. Sommige molenaars zitten in hun eigen koninkrijkje, ze kunnen bot zijn. Barbara was anders. Ze deed het werk met elan en vond het leuk om leerling-molenaars op te leiden. Oudere mensen die niet meer gewend waren boeken door te nemen leerde ze leren.”
Barbara was een perfectionist. Kees Boeije, die bij haar de molenaarsopleiding deed, noemt haar een heel precieze instructeur. Nauwkeurig werken vond ze van groot belang. “Toch was ze geen doorgedraaid molenaarstype, ze had een brede belangstelling voor kunst en cultuur”, zegt Boeije. “De weersomstandigheden hielden haar erg bezig, ze benadrukte dat je die van tevoren moest bekijken. We hadden een keer samen op een andere molen gedraaid. Zij moest eerder weg, ik zou afsluiten. ’s Avonds om half twaalf belde ze op om te checken of ik zeker wist dat ik de bliksembeveiliging op de molen had aangezet. Pas toen had ze gemoedsrust, typisch Barbara.”
Levenskunst werd een steeds belangrijker thema
Chris en zij leidden verschillende levens. Voor hen reden te meer om samen eropuit te gaan. Een gezamenlijke liefhebberij was vogels spotten en hun gedrag bestuderen. In haar zoekende periode was Barbara zich gaan inzetten voor de bescherming van weidevogels en daarmee had ze Chris geïnspireerd. In hun gesprekken werd levenskunst een steeds belangrijker thema: hoe geef je vorm aan je leven?
Ze verdiepten zich in het stoïcisme. Barbara had er baat bij toen tien jaar geleden de ziekte van Kahler (een vorm van beenmergkanker) zich openbaarde. Op de molen kon ze het van zich afzetten, maar allengs ging haar conditie achteruit. Het laatste half jaar zat ze op een klapstoel terwijl ze de leerlingen instrueerde, zij deden het zware werk. Tot vijf weken voor haar dood gaf ze thuis nog theorieles.
Bij hoge uitzondering lag haar lichaam opgebaard in De Adriaan, velen kwamen afscheid nemen. Metershoge banieren met haar portret hingen aan weerszijden van de ingang, de wieken stonden in de rouwstand, net als die van alle molens in de regio. Als laatste eerbetoon stond de rouwauto met haar kist twee minuten stil op de Catharijnebrug, de slagbomen waren gesloten. Tegelijkertijd werden op het Spaarne, tussen de brug en de molen, op de boot van de havendienst twee fakkels ontstoken.
Hedwig Barbara Tanner werd geboren op 19 juli 1948 in Aarau (Zwitserland)en overleed op 8 november 2025 in Haarlem.
(Onze redactie is altijd op zoek naar inspirerende levensverhalen. Kent u iemand die onlangs is overleden, stuur uw tip naar naschrift@trouw.nl. Help ons door uw ervaring te delen)
Lees het originele artikel hier
Wanneer de wieken draaien in Ravenstein, kan er zomaar een opvallend jonge molenaar aan het werk zijn. Wat trekt Eloïse Broekhuizen (20) en Sem Hurkmans (15) zo aan in dit eeuwenoude ambacht?
Al zo lang als hij zich kan herinneren, is Sem Hurkmans gefascineerd door molens. Op driejarige leeftijd kon hij eindeloos turen naar De Witte Molen. Hij groeide op aan de voet van deze oudste molen in zijn thuisstad Nijmegen. En nu hij 15 jaar oud is, is er niks van die magie vervlogen. Integendeel.
Maandelijks zit Sem in een Zoom-overleg met andere molenaars in opleiding die wonen in de provincie Gelderland. Zo’n traject duurt meestal een tot twee jaar. Maar bij de meeste deelnemers ligt de middelbare school al ver achter hen.
„Oudere mensen doen dit vaak na hun pensioen, als hobby”, weet Eloïse Broekhuizen. Zij zit tegenover Sem aan de lange houten tafel in De Nijverheid, stadsmolen van Ravenstein. Ook zij koos op jonge leeftijd voor een toekomst als molenaar en rondde onlangs als 20-jarige de opleiding daarvoor af.
Eloïse komt uit Kampen, en wandelde daar op haar 15de een molen binnen op zoek naar een vakantiebaantje. Toen ze het binnenwerk zag, raakte ze razend enthousiast. „De techniek, het houtwerk en de krachten die daarop uitgeoefend worden; ik vond het heel mooi.”
Ze verhuisde op haar 19de naar Wageningen om er de opleiding tot bakker te volgen. Tegelijk ging ze aan de slag op de molen in Wijchen, en draaide in Ravenstein al snel mee als vrijwilliger.
Onderin de Ravensteinse molen huist de bakkerij waarvoor zij en Sem in de gemeente Oss verbouwde spelt malen, boven hen draaien de kolossale maalstenen en indrukwekkende houten tandwielen die dat mogelijk maken.
Het is een techniek die ook de leek meteen kan begrijpen door er simpelweg een blik op te werpen. Een stap in een wereld van hout, steen, weer en wind, waar algoritmes nog altijd niks te zeggen hebben. Maar wie denkt dat zoiets het molenaarsvak simpel maakt, vergist zich behoorlijk.
„Bij elektrisch malen druk je gewoon op een knopje”, legt Eloïse uit. „Maar als je dat op de wind doet, ben je constant bezig met het weer. Waar komt de wind vandaan? Trekt die aan, dan moet er iets gebeuren. Want anders heb je opeens te fijn meel.”
„Je moet steeds in contact staan met de molen, met het weer en het product dat je wilt hebben. Het kan binnen vijf minuten veranderen. En het is heel belangrijk wolken te herkennen. Je kunt daarbij wel een app achterna gaan, maar daar heb je vaak niet zoveel aan.”
„Eigenlijk legt de molen je veel uit”, vult Sem aan. „Hoe meer je met de molen bezig bent, hoe meer je voelt hoe situaties steeds anders zijn. Je leert elke keer, dat kun je niet uit een boek halen. Je hebt natuurlijk boeken nodig voor een bepaalde basiskennis, maar het blijft hangen als je het ook hebt meegemaakt.”
Elke molen is anders, overal leer je weer nieuwe dingen. Op vakantie bezoekt Eloïse daarom graag andere molens. Voor Sem is dat niet anders. „Ik heb met maten ook wel eens een molendag”, zegt hij. Leeftijdsgenoten reageren weleens verbaasd, maar vinden zijn passie eigenlijk wel interessant.
Ook Eloïse heeft het idee dat het molenaarsvak juist in deze tijd de wind mee heeft. „Mensen willen steeds meer weten waar hun voedsel vandaan komt. En ze willen dat het lokaal geteeld of geproduceerd wordt. Daar probeer je als molenaar natuurlijk op in te spelen.”
Sem adviseert iedereen die het wat lijkt gewoon eens een molen binnen te stappen. Er is volgens hem altijd wel een molenaar te vinden die je wegwijs wil maken: „Bijna elke molenaar vindt het leuk een jonge molenaar erbij te hebben.”
|
|
|
Caroline van Schubert BNdeStem 26 nov 2025
Made
Alsof de molen weer kan ademen. ,,Een molen moet bewegen. Als hij stilstaat, gaat hij achteruit. Dit moment betekent meer dan alleen techniek; het is echt leven terugbrengen,” zegt Van Meel.
Van Meel is al eigenaar van de naastgelegen supermarkt en kocht het rijksmonument in 2021 van de familie Hermus. De molen stond toen al een paar jaar stil. Hij wist nog niet precies wat hij ermee wilde, maar zag wel hoe belangrijk het gebouw was voor Made en wilde dat intact houden. Al was het ook werknemer én molenfanaat Tony Hop die hem een duwtje in de rug gaf. “Ik werk tien jaar bij Albert Heijn, maar ook negentien jaar in de molen. Ik riep altijd al voor de grap: als de molen te koop komt, móét je hem nemen,” zegt Hop. “Het is echt een bijzondere molen en heeft me altijd aangetrokken. Het is een levend ding. Dat hoor je aan alles: het kreunen, het rommelen.”
Draaien deed de molen al een tijdje niet meer: vier jaar geleden bleek uit onderzoek al dat er scheuren in zaten. De wieken laten draaien was te gevaarlijk, omdat er iets zou kunnen afbreken. Dat de wieken nu terug zijn, is dan ook een belangrijke stap in het herstelproject.
Na de aankoop lag dat project een tijd stil, omdat er nog geen subsidie beschikbaar was. Begin dit jaar kwam er een rijksbijdrage van zo’n 250.000 euro, 70 procent van de kosten. “Een enorme opsteker,” zegt Van Meel. “We konden ineens doorpakken. En dat zie je.”
Het buitenwerk is inmiddels bijna afgerond: het metselwerk is opnieuw gevoegd, rotte balken zijn vervangen, de kap en stenen zijn hersteld, de buitenkant is geschilderd en op de molenberg is drainage aangelegd. Omdat het een rijksmonument is, moet elk plan worden afgestemd. “Je kunt niet zomaar beginnen. Je moet veel plannen overleggen.”
Lang wist Van Meel niet precies wat hij met de molen wilde. “In het begin dachten we aan een pick-up point voor boodschappen of een klein lunchtentje. Er zijn heel veel plannen voorbijgekomen.”
Ondertussen werd de molen vooral gebruikt voor buurtborrels en ouderenlunches. “En zelfs de inschrijvingen voor de Vierdaagse vonden hier plaats. Dat was superleuk,” zegt Van Meel. En daarop wil hij doorpakken, maar hiervoor moet ook binnen nog veel gebeuren. Het is er koud, vochtig en ‘echt 1867’. Daarom komt er sanitair, een klein keukenblok en wordt de ruimte comfortabel gemaakt. ,,We willen dat mensen hem kunnen gebruiken,” zegt hij. ,,Vergaderingen, presentaties, een ouderenlunch, een buurtborrel, misschien zelfs een trouwceremonie. De molen staat op ons terrein, maar hij is natuurlijk van heel Made.”
Als alles volgens plan loopt, is de molen voor de zomervakantie volledig klaar. ,,We willen daarbij uiteindelijk terug naar de oorsprong,” zegt Van Meel. En dat is misschien zelfs een beetje voorbestemd met zo’n familienaam: ,,Gewoon weer malen. Niet per se commercieel, maar omdat het hoort bij deze molen. Omdat Made trots is op deze molen. En dat moeten we zo houden.”
Originele artikel klik hier
Stichting Molen de Korenbloem in Ulvenhout zoekt vrijwillige molenaars, zij hebben momenteel 2 molenaars waarvan er 1 volgend jaar gaat stoppen.
Momenteel zijn ze elke zaterdag open en zijn beide molenaars op zaterdag aanwezig, zij overwegen om in de toekomst vaker open te gaan maar daarvoor hebben we wel meer molenaars nodig.
Kent u wellicht molenaars uit de regio of woont u daar en op zoek naar een molen?
Neem dan contact op met Stichting molen de Korenbloem via e-mailadres: info@molendekorenbloem.nl of telefoon 06 20 21 05 01.
Met vriendelijke groet namens Molen de Korenbloem
Kader nieuwsbrief De Hollandsche Molen nov 2025De onderwerpen in de nieuwsbrief zijn:Uitslag VriendenLoterij Molenprijs 2025 |
|
|
Lees de nieuwsbrief hier
|
|
Geachte mevrouw Wessels,
|